Menu

Richtlijn drukapparatuur

Voorafgaand aan de officiële tekst van de richtlijn zijn de overwegingen van de Raad van de Europese Gemeenschappen opgenomen.

Deze over-wegingen geven aan welke uitgangspunten hebben geleid tot het tot stand komen van de Richtlijn drukapparatuur en wat het doel van de richtlijn is.

De opbouw van de Richtlijn drukapparatuur

De richtlijn bestaat uit 21 artikelen en 7 bijlagen:

  • Bijlage I bevat de essentiële veiligheidseisen waaraan drukapparatuur moet voldoen.
  • Bijlage II bevat tabellen voor de overeenstemmingsbeoordeling.
  • Bijlage III bevat de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures.
  • Bijlage IV geeft de minimumcriteria voor de aangemelde instanties en de erkende onafhankelijke instellingen.
  • Bijlage V geeft de criteria voor het machtigen van de keuringsdiensten van gebruikers.
  • Bijlage VI  geeft de grafische eisen voor de CE-markering.
  • Bijlage VII geeft aan welke gegevens er in de EG-verklaring van overeen-stemming moeten worden opgenomen.

De werkingssfeer van de Richtlijn drukapparatuur

De richtlijn is van toepassing op het ontwerp, de fabricage en de overeenstemmingsbeoordeling van drukapparatuur en samenstellen waarvan de maximaal toelaatbare druk PS meer dan 0,5 bar bedraagt.  Onder druk wordt verstaan de druk gerelateerd aan de atmosferische druk, dat wil zeggen de overdruk. Een vacuüm of onderdruk wordt derhalve door een negatieve waarde aangeduid.

Voor de toepassing van deze richtlijn verstaat men onder:

  • “drukapparatuur” of “drukapparaten”:
    • drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages. Voor zover van toepassing omvat de drukapparatuur ook de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen, zoals flenzen, tubulures, koppelingen, hijsogen, enz.
  • “samenstellen”:
    • verschillende drukapparaten die een fabrikant tot een geïntegreerd en functioneel geheel heeft geassembleerd.

Producten waarop de Richtlijn drukapparatuur niet van toepassing is

De richtlijn is niet van toepassing op:

  • transportleidingen met een pijp of een geheel van pijpen voor het vervoer van stoffen van of naar een installatie (te land of ter zee), vanaf en met inbegrip van de laatste afsluiter binnen de grenzen van de installatie, inclusief alle bijbehorende apparatuur die speciaal voor de transportleiding is ontworpen. Standaarddrukapparatuur zoals in reduceerstations en compressorstations kan worden aangetroffen, valt niet onder deze uitsluiting;
  • netten voor de aanvoer, de distributie en de afvoer van water en de bijbehorende apparaten alsmede leidingen voor aandrijfwater, zoals sluispoorten, drukleidingen en drukschachten voor waterkracht-installaties en bijbehorende specifieke appendages;
  • apparatuur die valt onder de Richtlijn drukvaten van eenvoudige vorm;
  • apparatuur die valt onder de Richtlijn aërosols;
  • apparatuur voor de werking van voertuigen die vallen onder de volgende richtlijnen en de bijlagen daarvan:
    • motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan;
    • landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen;
    • twee- of driewielige motorvoertuigen;
  • apparatuur die ten hoogste valt onder categorie I in artikel 9 van deze richtlijn en die tevens onder een van de volgende richtlijnen valt:
    • machines;
    • liften;
    • elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde  spanningsgrenzen;
    • medische hulpmiddelen;
    • gastoestellen;
    • apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen;
  • speciaal voor nucleair gebruik ontworpen apparatuur die bij defecten verspreiding van radioactiviteit kan veroorzaken;
  • putregelingsapparatuur voor de exploratie en winning van aardolie, aardgas of geothermische energie of voor ondergrondse opslag om de druk van de put te behouden en/of te regelen. Daartoe behoren het spuitkruis (kerstboomklep), veiligheidsafsluiters, installatieleidingen en verzamelstukken, alsmede de zich daarvóór bevindende apparatuur;
  • uit kasten en mechanismen bestaande apparatuur waarvan de afmetingen, de materiaalkeuze en de fabricagevoorschriften voornamelijk berusten op de criteria sterkte, stijfheid en stabiliteit bij statische en dynamische bedrijfsbelastingen of op andere functioneringseigenschappen en waarvoor de druk geen wezenlijke ontwerpfactor is. Tot deze apparatuur behoren:
    • motoren, inclusief turbines en verbrandingsmotoren;
    • stoommachines, gas- of stoomturbines, turbogeneratoren, compressoren, pompen en servomechanismen;
  • hoogovens, met inbegrip van de ovenkoeling, windverhitters, stofafzuigers en gaswassers voor de afvoergassen en koepelovens voor directe reductie, met inbegrip van de ovenkoeling, gasconvertors en pannen voor het smelten, hersmelten, ontgassen en gieten van staal of non-ferrometalen;
  • omhullingen voor elektrische hoogspanningsapparatuur, zoals schakel- en regelapparatuur, transformatoren en rotatiemachines;
  • mantels onder druk rond de onderdelen van transmissiesystemen, zoals elektrische kabels en telefoonkabels;
  • schepen, raketten, luchtvaartuigen en mobiele offshore-eenheden, en apparatuur die uitdrukkelijk bedoeld is voor installatie op dergelijke machines of voor de voortbeweging ervan;
  • drukapparatuur met een flexibele buitenwand, bijvoorbeeld luchtbanden, luchtkussens, speelballen en opblaasboten en andere soortgelijke drukapparatuur;
  • inlaat- en uitlaatgeluiddempers;
  • flessen of blikjes voor koolzuurhoudende dranken, bestemd voor eindconsumptie;
  • vaten voor vervoer en distributie van dranken waarin het product van PS en V ten hoogste 500 bar 71 en de maximaal toelaatbare druk 7 bar bedraagt;
  • radiatoren en buizen in systemen voor warmwaterverwarming;
  • vaten voor vloeistoffen waarin de gasdruk boven de vloeistof ten hoogste 0,5 bar bedraagt;
  • militair materieel.